Een week lang van dorpje naar terp, naar meer dan wel zee en terug naar het dorp rijden in Friesland. En dat nog vakantie noemen ook. Als Esonstad geen locatie van Landal was, zou je het gewoon niet geloven. Het Lauwersmeer is nog de moeite waard als Nationaal Park, maar een gebied met meer kerken dan inwoners, wat heb je daar als stadse jongen nou te zoeken? Zeker als je bedenkt dat de bevolking bekend staat om zijn spreekwoordelijke koppigheid.
Nou, je hoeft er helemaal niets te zoeken, je vindt het ongevraagd, overal waar je kijkt. Ruimte, enorm veel ruimte, geluid van vogels, het ruisen van de zee en het waaien van de wind. Wind die vanwege de open ruimte vrij spel heeft. Windkracht vijf noemen ze hier windstil, leuk voor een potje badminton achter in de tuin. Of kaatsen of wat ze hier ook spelen. Bossen kennen ze in Friesland niet, maar de schijnbaar achteloos geplaatste heesters of korte rijen bomen die hier tuinen en bermen sieren zijn allemaal zo karakteristiek, dat ze nooit een bos zouden vormen, al plaatste je er honderd bij elkaar. Als er in Friesland iets koppig is, dan zijn het de bomen!
De bevolking van oude vissersdorpen als Paesens, Moddergat, Nes, Wierum en ga zo maar door, is juist uiterst vriendelijk en gastvrij. Ongevraagd wijst men je de mooiste dorpsgezichten en vertellen oude visserszonen bijpassende anekdotes over de rampen die het gebied in voorbije eeuwen over zich heen heeft gehad. Elk dorp herdenkt ten minste één storm of watersnood met een monument op de dijk. Elke familie is hier getekend door vissers die ooit zijn uitgevaren maar nooit zijn teruggekeerd. Vaak vergingen drie of vier generaties van één familie met dezelfde boot. Jongens van twaalf jaar tot en met overgrootvaders van zeventig. De tijd van het vissen op leven of dood is nu voorbij. De volgende ramp wordt waarschijnlijk veroorzaakt door de NAM, het gevolg van gasboringen op de Waddenzee.
Terpdorp Hegebeintum
Waaraan zouden die fiere Friezen zo snel zien dat ik geïnteresseerd ben in hun verhalen? Dat ik een vreemdeling ben in deze streek. Natuurlijk, dorpsbewoners kennen elkaar en elkaars familie – vroeger was een gemeenschap vrijwel altijd familie – maar ik zou toch van een paar dorpen, zeg een kerk of acht, verderop kunnen komen? Dan zou mijn geschiedenis niet veel anders zijn dan de hunne en waren die verhalen mij bekend. Misschien komt het door dat wat op de lachspieren werkende mini-statief onder mijn camcorder en het om mijn rechterpols slingerende fototoestel. Maar ik ga toch echt niet de dijk op lopen zeulen met een reusachtige driepoot onder mijn arm alleen om te ontdekken dat die bij windkracht tien ook geen stabiele filmpjes met maximale vergroting – factor 40 – garandeert.
Bovenop de dijk
Ik denk dat het aan die ietwat verdwaasde blik van de stadsbewoner ligt, die niet gewend is aan de ruime blik over de velden, de afstand tussen twee dorpen, waardoor de gemiddelde Fries ons er zo snel tussenuit pikt. De knikkende knieën van de nieuwbouwwijkverkenner die gewend is in acht windrichtingen mensen om zich heen te hebben en nu geen enkele houvast meer heeft. De kortzichtigheid van de betonbewonderaar die in een dijk het groene bankstel van zijn overburen herkent, maar er absoluut niet overheen durft te kijken. Want stel je voor dat het daar anders is. Dat natuurkundige wetten er niet gelden. Dat de zwaartekracht je voeten niet vanzelfsprekend op de aarde houdt en dat je zelf moet nadenken, eigen initiatief moet ontplooien om het hoofd boven water te houden.
Een Fries moet het met medelijden aanschouwen en dan is een verhaal over oude tijden natuurlijk een welkome afleiding. De Fries vertelt de wolkenklimmer dat tegenwoordig alles gelukkig anders is, dat alles in regels en protocollen is vastgelegd, net als in de grote stad. Dat de zee is bedwongen en dat je nu gemakkelijk naar Ameland of Schiermonnikoog kunt lopen of rijden, maar dat er vanuit toeristisch oogpunt nog veerboten varen. Dan wijst hij de hokjesgeest een mooi punt om de eeuwenoude kerk te fotograferen en raadt hij hem aan vooral Leeuwarden goed te bezichtigen. Prachtig hoe dat eruit ziet. Binnen de middeleeuwse stadsmuren.
Boorplatform bij Ameland
Als de geveltoerist weer vertrokken is, klimt de Fries de dijk op. Hij staat een ogenblik stil bij het monument ter nagedachtenis aan een ramp met vele vergane schepen en verdronken vissers en kijkt dan uit over de Waddenzee. Ameland en Schiermonnikoog zinderen in het bewegende licht, voor hem zijn ze echter haarscherp te zien. Daar kan alleen een windkracht twaalf of hoger verandering in brengen. En dan nog alleen bij springvloed. Zijn oog blijft steken op het boorplatform dat het Wad tot een productiegebied van economisch belang zal ‘verheffen’. Hij vervloekt het ding nog een keer hardop en kijkt dan schuchter om zich heen om er zeker van te zijn dat zijn moeder het niet gehoord heeft. Zijn mond valt open van verbazing als hij een vreemdeling de dijk op ziet kruipen. Een rare snuiter met een fototoestel om zijn rechterpols en een filmcamera op een achterlijk klein statiefje in zijn linkerhand. Een asfaltplakker die vastbesloten is de wereld voorbij de dijken met eigen ogen te aanschouwen. Die wil weten of het gerucht, dat er eilanden bestaan die niet aan het land vastzitten maar er toch bij horen, waar is. Klaar om zelf te denken, eigen richting te kiezen en desnoods de zwaartekracht uit te dagen. Niet te stuiten. Koppiger dan een Fries.
Moddergat, de helft van de tweeling Paesens-Moddergat, is een oud vissersdorpje in de gemeente Dongeradeel, Friesland. Enkele oude vissershuisjes behoren nu tot Museum ‘t Fiskershúske. Of Moddergat nog lang stand zal houden, is maar de vraag. Er is namelijk nabij het dorp een grote bel aardgas gevonden. Zou het wad daardoor te ver dalen, dan is Moddergat hetzelfde lot beschoren als al die vissers die de laatste eeuwen wel zijn uitgevaren, maar nooit meer naar het dorp zijn wedergekeerd.
De filmpjes van de heenreis en Moddergat:
De huisbaas bleek gelukkig geen steekmug, maar een dansmug. Zijn familie viel laat in de avond bij bosjes tegelijk van het plafond op de tafel en in je nek, waarschijnlijk om je ten dans te vragen. Helaas was de aanvrager meestal dood voordat ik haar aanbod kon aanvaarden. Een natuurlijke reflex op alle muggensoorten…
Verwarring verbijstering
Voeden verstomde vertwijfeling
Versneld vertraagde versplintering
Van vallende voorwerpen verwondingen
Vermoeden van veiligheid verdampt
Verdoofden van Virm verlaten
Voertuig voor verklaring
Verbeten vlucht vragen
Voormalig voorzitter
Van Veiligheidsraad
Van Vollenhoven
Verantwoording
Verlossing
Verkeerd
Verlies
Verte
Val
VI
V
Maandag 7 mei 2012. Een warme, zonovergoten dag begint in het zuiden des lands. Dezelfde dag ’s avonds; een warme, zonovergoten dag eindigt in het noorden des lands. Volgens de weersvoorspellingen wordt maandag 14 mei 2012 wederom een warme, zonovergoten dag in het noorden des lands. Volgens de verkeersvoorspellingen eindigt diezelfde maandag 14 mei als een warme, zonovergoten dag in het zuiden des lands. Tussen deze twee warme, zonovergoten dagen ligt mijn – korte – vakantie in Friesland, pal aan het Lauwersmeer. Volgens de laatste meteorologische metingen komt er de komende week echter niet veel zon aan te pas. De temperatuur in Anjum kan nog wel flink oplopen, maar dat zal slechts meetbaar zijn tijdens hevige regenval. Dat wordt dus zweten in een regenpak. Mijn favoriete buitensport op Dood van een paard vallen en Door twee tractoren uiteen gereten worden na.
Uitzicht vanuit mijn slaapkamer
Ach, we zien wel wat het wordt. Weersvoorspellingen houden tegenwoordig nog geen uur stand. Ons klimaat ziet er geen been meer in binnen twee tellen een andere koers te varen, een beetje zoals het CDA maar dan iets meer uit het radicale midden. Weliswaar vlogen de zwaluwen vanavond mijn broekspijpen binnen, maar ook in dat soort volkswijsheden geloof ik niet meer. Ik ben ook doodleuk van Dokkum rechtstreeks naar Anjum gereden, zonder mijn paspoort eerst in Bartlehiem te laten stempelen. Daar werd totaal niet op gereageerd. Ja, mijn neefje van acht moest overgeven zodra we het bungalowpark bereikten en ik ben zelf al een week of twee hooikoortserig verkouden, maar om nou te spreken van Elfstedenkoorts..!? Ken toch nog net?
Bij aankomst op het park heb ik direct kennis gemaakt met de hoofdbewoner van het pand. Aardige man, geen opvliegerig typ. Hij had niet veel tijd, want hij moest zijn kinderen van school halen. Zijn vrouw was namelijk op jacht. Maar hij beloofde me vanavond nog even een nachtshotje te komen halen. Druppeltje levensvocht om de moed erin te houden.
‘Neem je vrouw ook mee,’ zei ik toen hij op het punt stond te vertrekken. Hij aarzelde even.
‘Maar dan moet ik mijn kinderen óók meenemen, ik kan ze niet alleen thuis laten. Dan blijft er niets over van de kat, ze zuigen hem helemaal leeg.’
‘Dan neem je die toch ook mee, het is tenslotte vakantie.’
‘Als tante Jet uit de Eik op drie erachter komt,’ treurde de man met de breed uitwaaierende wenkbrauwen, ‘heb ik geen leven meer.’
‘Joh,’ zei ik om eraf te zijn. ‘Neem mee wie je wil, desnoods al je vrienden en je hele familie. Plek zat.
Ik ga een paar flessen wijn koud zetten. Het zou weleens gezellig laat kunnen worden vanavond.
Meer dan 65 jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, wordt de eerste stap gezet naar een totale verzoening. Net als bij zelfdoding, kent een oorlog uitsluitend verliezers. Om goed en kwaad dichter bij elkaar te brengen, anders dan de politiek doet in deze tijd van popularisering, schreef de vijftienjarige Auke de Leeuw een gedicht over zijn oudoom; een jongen, waarschijnlijk niet veel ouder dan Auke nu, die in zijn jeugdige onstuimigeheid de verkeerde partij koos en er met zijn leven voor betaalde. Het vlammetje dat Auke bij zijn geboorte van zijn ouders meekreeg, de voornamen van zijn oom, begint te ontwaken. Maar in plaats van hitte, straalt het licht. Na een duistere periode in Den Haag, zal Auke op de Dam in Amsterdam, zijn inzicht delen. Pas als je hemel en hel hebt gezien, kun je de juiste keuze maken.
Auke, succes!
Foute Keuze
Mijn naam is Auke Siebe Dirk
Ik ben vernoemd naar mijn oudoom Dirk Siebe
Een jongen die een verkeerde keuze heeft gemaakt
Koos voor een verkeerd leger
Met verkeerde idealen
Vluchtte voor de armoede
Hoopte op een beter leven
Geen weg meer terug
Als een keuze is gemaakt
Alleen een weg vooruit
Die hij niet ontlopen kan
Vechtend tegen Russen
Angst om zelf dood te gaan
Denkend aan thuis
Waar Dirk z’n toekomst nog beginnen moet
Zijn moeder is verscheurd door de oorlog
Mama van elf kinderen, waarvan vier in het verzet zitten
En een vechtend aan het oostfront
Alle elf had ze even lief
Dirk Siebe kwam nooit meer thuis
Mijn naam is Auke Siebe Dirk
Ik ben vernoemd naar Dirk Siebe
Omdat ook Dirk Siebe niet vergeten mag worden.
Harmelen 1962. Botsing tussen een intercity en een stoptrein. Grootste treinramp in de Nederlandse geschiedenis. Oorzaak: de machinist van de intercity reed met hoge snelheid voorbij een rood sein, nadat hij het voorafgaande gele sein door de dichte mist over het hoofd had gezien. Deze ramp had voorkomen kunnen worden door de aanwezigheid van een Automatische Trein Beïnvloeding. ATB was toen echter nog volop in ontwikkeling. Het werd na deze ramp wel versneld – tussen 1970 en 1992 – ingevoerd, want dit mocht in Nederland nooit meer gebeuren! Onder de 93 slachtoffers bevonden zich beide machinisten.
‘Machinist veroordeeld tot werkstraf van 240 uur.’
Arnhem 2006. Botsing tussen een goederentrein en een reizigerstrein. Oorzaak: de machinist van de goederentrein zag het rode sein niet tijdig genoeg omdat dit in een bocht hing. Twee passagiers raakten bekneld, vijftien anderen moesten naar het ziekenhuis. ATB-Vv had dit ongeval voorkomen, maar was nog in ontwikkeling. Justitie eiste een taakstraf van 150 uur wegens het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel. In september 2009 sprak de rechter de machinist vrij van rechtsvervolging vanwege de slechte zichtbaarheid van het sein. In april 2010 werd in hoger beroep opnieuw 150 uur werkstraf geëist. Een maand later, na vier jaar knagende onzekerheid, wordt de machinist definitief vrijgesproken.
Ziek van whisky en tabak
Rotterdam 2006. Botsing tussen een lege sprinter en een goederentrein. Oorzaak: de machinist van de sprinter passeert een rood sein in de veronderstelling dat dit sein bij een naastgelegen spoor hoort. De gevolgen voor de machinist blijken veel groter dan verwacht. De eigenaar van de lading – whisky en tabak – van de goederentrein wil geld zien. Aanvankelijk wilde justitie de machinist door de politierechter laten berechten wegens onvoorzichtig, onachtzaam, onoplettend rijgedrag en het belemmeren van het treinverkeer. De politierechter verwees de zaak echter door en de machinist moest zich in september 2008 verantwoorden voor de meervoudige strafkamer van de rechtbank.
‘De machinist van de passagierstrein die twee jaar geleden een zwaar treinongeluk bij Roosendaal heeft veroorzaakt, is donderdagmiddag veroordeeld tot 120 uur werkstraf. De straf is voorwaardelijk. De rechter vindt dat er geen bewijs is dat de machinist was afgeleid en zo de twee seinen heeft gemist. Wel heeft de 57-jarige machinist zich het ongeval erg aangetrokken en is hij met de VUT gegaan.’
Informatie-overdosis?
Amsterdam 2007. Botsing tussen een intercity en een lege trein. Oorzaak: de machinist keek naar het verkeerde sein. Hij bleek niet de enige te zijn. Op dezelfde plaats was al zes maal eerder een trein door het rood gegaan. In zes van de totaal zeven onterechte STS-passages zagen machinisten sein 438 als geldend voor hun trein, terwijl dit het slecht zichtbare sein 440 had moeten zijn. Onderzoek van de Inspectie toonde aan dat het sein niet volgens de regels geplaatst was. Dit sein zou als één van de eersten uitgerust worden met ATB-Vv.
Situatie in Eindhoven: Géén ATB-Vv!
Gelukkig kreeg ik net op tijd géén hartaanval...
Zwolle 2009. Zijdelingse botsing tussen een goederentrein en een reizigerstrein in Zwolle. Oorzaak: de machinist van de goederentrein was ten onrechte een slecht zichtbaar rood sein gepasseerd. In september 2010 wordt de rechtszaak tegen de machinist aangehouden, omdat er volgens zijn advocaat nogal wat ontbreekt in het onderzoek van het OM. In december 2010 volgt het rapport van de Inspectie, in het voordeel van de machinist. Op 19 april 2011 wordt hij uiteindelijk vrijgesproken. ATB-Vv had al deze ellende voorkomen.
De machinist heeft sinds het ongeval niet meer op de trein gezeten. Zijn contract bij het spoorvervoerbedrijf werd niet verlengd. Hij voelt zich door zijn werkgever aan de schandpaal genageld. Hij had bovendien niet verwacht voor de rechter te moeten verschijnen. De man is inmiddels touringcarchauffeur.
(Uit de Stentor)
“Het wordt een casinospel, het kan goed gaan of het kan slecht gaan’’
Barendrecht 2009. Bij Barendrecht botsen twee goederentreinen frontaal op elkaar. De ravage is enorm. De oplettende machinist van een passerende reizigerstrein weet een nog grotere ramp te voorkomen door zijn trein met maximale remkracht tot stilstand te brengen. Oorzaak: de machinist van een goederentrein passeerde – als gevolg van een hartaanval – een rood sein. Het ongeval had voorkomen kunnen worden door het sein te voorzien van ATB-Vv. De gevolgen voor de gewonde maar onschuldige machinist blijken enorm. Financieel nadert hij zijn faillissement.
De haan kraait de eerste keer
Harmelen 2012. Op 8 januari 2012 – precies 50 jaar na dato – onthult Pieter van Vollenhoven een monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de grootste treinramp in Nederland tot nu toe. Hij maakt er tegelijk een gedenkplaats van voor alle hulpverleners en betrokken burgers die destijds niet goed opgevangen zijn en de ramp soms nog steeds niet verwerkt hebben.
Monument Harmelen
De haan kraait de tweede keer
Amsterdam 2012. Grootste treinongeval in vele jaren. Oorzaak: machinist reed, verblind door laagstaande zon, door een rood sein. Had voorkomen kunnen (lees: moeten) worden door ATB-Vv. Dit veiligheidssysteem was echter niet bij het sein geïnstalleerd omdat de doelstellingen van de Stuurgroep STS (50% reductie rood-seinpassages, 75% vermindering van de risico’s) – volgens prognoses en verrekend naar aantal STS-passages per miljoen treinkilometers – al gehaald waren. De kosten van méér seinen voorzien van ATB-Vv zouden niet opwegen tegen de baten. Vooral omdat niet te voorspellen bleek waar de volgende klap zou komen. Er vielen 42 zwaargewonden, één vrouw overleed aan de gevolgen van haar verwondingen.
Wat gebeurt er na deze laatste ramp? Waarschijnlijk niets. Het kan nog tientallen jaren duren voordat het nieuwe Europese veiligheidssysteem overal geïnstalleerd is. Tot die tijd rijden we op het Nederlandse spoor met een gecalculeerd risico. Die berekeningen zijn niet geheim en gemakkelijk op internet te vinden. In feite wordt daarmee de prijs van een mensenleven berekend. Daaraan afgemeten is het Nederlandse spoornet nog altijd één van de veiligste. Het aantal dodelijke slachtoffers valt ruim binnen de marges en hoeft niet per se nog verder teruggedrongen te worden. En mocht de massa bloed willen zien, dan is er altijd nog het Wetboek van Strafrecht. Daarin staat immers dat door rood rijden strafbaar is. Als de rust daarmee voor een tijdje terugkeert, blijkt het opofferen van een machinist de meeste treinmaatschappijen niet zo heel zwaar te vallen…
Harmelen 2037…
Harmelen 2062…
Welke kleur toont mijn sein?
O, rood! Net op tijd, dank je wel.
“Ik moet gewoon eerlijk zeggen… als de veiligheid ze ter harte gaat, is dit onbegrijpelijk, onbegrijpelijk.”
Welk sein is nu voor mij bestemd?
‘De machinist van de trein die vorig jaar door een watersportwinkel in Stavoren reed wordt vervolgd. Dat meldt het Openbaar Ministerie maandag. De 59-jarige man uit Goor wordt er van verdacht door nalatigheid het ongeluk te hebben veroorzaakt.’
Ehm, zou je niet eens gaan remmen?
‘De machinist van de trein die in juli 2010 een ravage aanrichtte in het Friese Stavoren, wordt niet vervolgd. Het ongeluk valt de 59-jarige man strafrechtelijk niet aan te rekenen, omdat er toen van alles mis was op en rond het spoor. Dat meldde het Openbaar Ministerie in Leeuwarden donderdag.’
Hallo treindienstleider? Ik ben zojuist kleurenblind geworden.
Heb je het warm?
Officier van justitie P. van de Rivière heeft gisteren voor de rechtbank in Haarlem een boete van 2500 gulden geëist tegen de 42-jarige machinist J. K.. Deze veroorzaakte op 25 juli van het vorig jaar bij Hoofddorp een botsing tussen de trein die hij zelf bestuurde en de intercity Den Haag-Amsterdam.
Heb je het koud? O, bedrijfsgevoelige informatie!
Multiple Choice?
Zou deze ook Whisky vervoeren?
”Dan ga ik wat anders doen, ministers moeten een onderzoek maar verbieden of stop zetten, dan liggen de zaken helder.”
Emma is werkster bij de flamboyante oud-minister Kalsbeek. Haar wereld stort in als ze na veertig jaar van de ene op de andere dag op straat wordt gezet. Dan vindt haar kleinzoon belastend materiaal tegen de oud-minister. Het perfecte middel om Kalsbeek te dwingen om zijn oma alsnog een waardig afscheid te geven. Niet zomaar een borrel, maar een groots feest! De tragikomedie ‘Emma’s Feest’ gaat over dromers, oplichters en afpersers tegen wil en dank. Met de Grande Dame Ingeborg Elsevier en de eminence grise Bram van der Vlugt is ‘Emma’s Feest’ bij voorbaat een acteerfeest.
Raar feestje
Vreemd, vervreemdend toneelstuk. En de acteurs genoten met volle teugen van de verbazing en verwarring in het publiek. Een doeltreffend, vindingrijk, komisch maar klein decor op een veel te groot toneel. Dun geluid, ingetogen bewegingen die totaal niet pasten bij deze Grote Zaal. En dan – hoe paradoxaal – gespeeld door twee Theatergrootheden die je niet eens om een handtekening durft te vragen. De absolute top die zich ineens onder je voeten bevindt en dan ook nog roept: ‘Kom maar op met die schoen!’
Maar de huishoudster die Ingeborg Elzevier hier neerzette… Precies mijn moeder, die ik heel toevallig mee had genomen. Ze kon niet ontkennen dat ze de gelijkenis niet zag. Het verhaaltje was zo doorzichtig en inconsequent, dat zouden Elzevier en Van der Vlugt nooit serieus kunnen spelen, zelfs niet als komedie. Maar de kans het publiek eens flink in de maling te nemen én voor zichzelf nog eens te bewijzen dat ze de meest ongeloofwaardige karakters zo tot leven konden brengen dat het publiek in hen geloofde, die konden ze niet laten lopen.
Prima spel van Wouter de Jong. Dat in bed staan durf ik nog wel aan. Maar een goed gesprek met Sinterklaas voeren terwijl je feitelijk boven in het decor hangt, dat is wat anders. Volgende keer 180 graden de lucht in?
Een Feest was de voorstelling in ieder geval. Wie door dat dunne laagje bedrog heen kon prikken, zag de echte wereld in al zijn bedrieglijke waarheid. En iedere auteur weet dat je de waarheid nooit mag beschrijven, want de waarheid gelooft niemand. Wat niet wil zeggen dat je bedrogen bent als je een avond wat anders voorgeschoteld krijgt dan je verwacht had. Volgens mij hebben Ingeborg Elzevier en Bram van der Vlugt de helft van de hieronder geplaatste reacties zelf geschreven.
Bedriegers.
Reacties op de voorstelling in het Parktheater Eindhoven:
CJ: Ik heb in geen jaren zo’n slecht stuk gezien. Een flinterdun plotje, kennelijk geschreven op een druilerige achternamiddag. Twee -op zich goede- acteurs, kunnen dit ook niet redden. Ik denk dat ze zich ook schamen om met zoiets op het toneel te staan. Het komt niet uit boven het niveau van een, niet zo heel goede, amateur-toneelvoorstelling. En dan heb ik het nog niet eens gehad over de werkelijk tenenkrommende bijrol van Wouter de Jong. Kortom: zonde van mijn geld….
JM: Een voorstelling om gauw te vergeten. Een flauw, kinderachtig stuk de acteurs, Bram van der Vlugt en Ingeborg Elsevier onwaardig. Het toneel was veel te groot voor deze voorstelling en miste daardoor de broodnodige interactie met het publiek. Hierdoor ook slecht verstaanbaar. Al met al een wat dure avond voor het gebodene.
TT: Amusante zeer goe gespeelde voorstelling. De moeite waard
RB: Buitengewoon sterk spel, goede timing, soms ontroering, typisch tragikomisch, echter decor te gewild, stuk als zodanig te weinig doordacht. Spelers redden het stuk.
S: Wij hadden hoge verwachtingen met het oog op de hoofdrolspelers. Helaas bleek het een teleurstelling. Het geluid had echt beter gekund en we misten ook de vitaliteit in het stuk. Het zag er wat afgemat uit. Stevige prijs ook voor de kaarten als ja na een uur en 20 minuten weer buiten staat.
M: Goed spel van de oude rotten in het vak maar ook van Wouter! Leuke ontknoping, echt een Ingeborgactie! En Bram, nu eens niet in de rol van nette heer, maar van narcist! leuk. Na de voorstelling was het supergezellig in het café beneden, rustiger dan in de pauze waarin je je hete thee snel moet opdrinken!!
RZ: Leuke avond-goed en met plezier gespeeld door alle 3 acteurs. De voorstelling was wel kort en in verhouding niet goedkoop maar wat wil je met de 2 topacteurs.
A-MR: Wat een heerlijke toneelavond. Vooral Ingeborg Elzevier met haar antieke jurkje. Het was een genot om weer eens een “echt” leuk toneelstuk te zien. Het smaakt naar meer. Ook de nazit in het Theatercafé was weer prima op de bekende gastvrije wijze verzorgd. P.S. Het geluid was prima.
RK: Geweldige acteurs. Een voorstelling mag ook wel eens ontspannend zijn. Wij verheugen ons, in 2013, hopelijk ook in uw theater, Bram van der Vlugt samen met Joost Prinsen, als twee broers te zien acteren. Het hebben van geen pauze heeft m. i. het voordeel, dat je niet in de rij hoeft te staan voor een kopje koffie en deze vlug vlug moet opdrinken. Nu beschik je na de voorstelling over wat meer tijd in uw gezellige bar, waar een goed glas wijn wordt geserveerd. Wij zaten op rij 12 en de geluidsweergave was uitstekend.
AH: Een genoeglijke theateravond. Genoten van het toneelspel van twee acteurs op leeftijd. Zij wisten van een simpel verhaal iets bijzonders te maken.
Privé gebruik van Twijfel en Onthechting voor Dummies
Door Nico Muhly, Calefax Rietkwintet en Lenneke Ruiten
Raaf Hekkema
Ieder jaar is het een keer dertien april. Zo ook in 2012. Het is zelfs Vrijdag de Dertiende, een dag om in bed te blijven. Dat heb ik dan ook het grootste deel van de dag gedaan. Begrijpelijk als je weet dat ik ervoor vier nachtdiensten heb gedraaid. En om helemaal van enige verjaardags-perikelen af te zijn, ga ik vanavond naar een concert in Muziekgebouw Frits Philips. Eerst wilde ik de hele familie daarvoor uitnodigen, maar ik bedacht net op tijd dat ik Vriend van Calefax was, niet hun ergste vijand. Bovendien wil ik de wereldpremière van Nico Muhly’sHymns for Private Use, de titel zegt het al, niet met anderen delen.
Tijdens de opkomst van het Kwintet, valt me iets op. Op tien januari, na een uitvoering van musikFabrik, noteerde ik het volgende:
Er is geen overgang tussen leven en dood, klank en stilte. Stilte is ook klank en daarmee is dood tegelijk leven. Althans in mijn wereld. En niemand heeft me verboden de vraag Welke klank maak je als eerste in een lege ruimte? eerst zelf te beantwoorden alvorens naar de muziek te luisteren. Dat is minimaal één muzikant met me eens. Zo niet, dan vertel ik iedereen bij Calefax dat hij is vreemdgegaan.
Alban Wesly N.S.
Met die ene muzikant doelde ik op fagottist Alban Wesly en wat schetst mijn verbazing? Het is uitgelekt – ik heb echt niks gezegd Alban, ik zweer het – en er zijn disciplinaire maatregelen getroffen. Raaf Hekkema kondigt het 990-ste optreden van Calefax op indringende wijze aan. Alban Wesly – die zichzelf de beste voetballer noemt van het Kwintet – is de komende zes wedstrijden geschorst en vervangen door Heidi Mockert. Hekkema zegt er nadrukkelijk bij dat Wesly het duizendste optreden niet hoeft te missen. Een duidelijke waarschuwing. Officieel speelt Alban Wesly niet mee omdat hij in verwachting is van zijn eerste kind. Maar ook zijn vervangster, Heidi Mockert, is in verwachting en zij speelt wel…!?
Het is natuurlijk niet aardig om te zeggen dat Alban niet gemist wordt, maar Heidi – in Engeland geboren en in Duitsland opgegroeid – is een waardig vervangster. Ze mag zelfs de leiding nemen in één van de Bach-intermezzo’s, die zowel een contrast vormen met de overige werken, als een soort tijdloos tussenspel: Bach is het begin, Bach is het einde. Bach is de Alfa en de Omega.
Het programma van vanavond draagt de titel Layers. Op zich is die titel goed te verdedigen, maar ik zou het toch liever de avond van de Twijfel noemen. Line and Length, is behalve een compositie van Matthew Shlomowitz, ook een cricketterm. Het is een worp die de slagman bewust aan het twijfelen moet brengen: meppen of niet meppen, dat is de vraag. Een deel van het werk doet me aan treinverkeer denken. Een mooi muziekstuk om onder een filmpje te gebruiken. Dat blijkt Shlomowitz zelf ook al bedacht te hebben, gezien zijn werk Train Travel.
Walden van Hans Abrahamsen is een schitterende compositie die het publiek meeneemt naar de eenzaamheid van het bestaan, letterlijk in een hutje op de hei. Gebaseerd op het werk van filosoof en schrijver Henri David Thoreau, verklankt het de twijfel van de kluizenaar. Is hij onderdeel van de organische natuur, of is hij er slechts te gast? Misschien wordt hij door dieren zelfs als een indringer gezien. Ben je als mens afhankelijk van de natuur of stijg je er bovenuit? De compleet verschillende zangpatronen van vogels die samengevoegd toch een eenheid lijken te vormen, tonen in elk geval aan dat je geen onderdeel uitmaakt van de gelukzaligen die het aardoppervlak overvleugelen. De twijfel leidt tot vertwijfeling. Thoreau heeft de natuur de rug toegekeerd, en is gestorven aan een loodvergiftiging.
Walden is een compositie vol momenten van twijfel en verstilling. De vijf musici presenteren zich als solist of als duo, nooit ontstaat er een duidelijke meerderheid. Alsof de natuur strijdt met zichzelf en de buitenstaander vreemde sprongen moet maken om niet één van de partijen een meerderheid te bezorgen en de ander te vernietigen. Er moet altijd een evenwicht gezocht worden. Soms zijn enkele staccato-nootjes voldoende om de balans te herstellen. Die nootjes weten de musici van Calefax, zonder dat ik ze met hun voeten zie tellen, steeds weer exact tegelijk te produceren. Ongelooflijk knap. Die onderlinge verbondenheid, dat moet een soort groepsgeest zijn die in de dierenwereld wel vaker wordt aangetroffen.
Trotse componist Nico Muhly voor het Calefax Rietkwintet
De hymnen uit Hymns for Private Use van Nico Muhly, zijn een mengelmoes van muziekstijlen op teksten die geschreven zijn tussen de vierde en de achttiende eeuw van onze jaartelling, aangevuld met nieuwe hymnen voor imaginaire schoolklassen in het koloniale Amerika. De muziek beweegt zich daardoor van de ene stijl naar de andere, kriskras door de tijd, zonder tot rust te komen. Het zijn hymnen in chaos. Een chaos waarin de jonge operazangeres Lenneke Ruiten orde probeert te scheppen, maar twijfelt of ze daartoe wel in staat is. De zachte wiegezang van Maria wordt ruw verstoord door trillende en bevende blazers, angstig en onzeker in hun aanbidding van het Kind. In de herfst laat de componist de blaadjes zachtjes ruisend van de bomen vallen, een moment van bezinning. Totdat Jelte en Heidi erdoorheen ploegen met hun gigantisch krachtige bladerenblowers.
Lenneke Ruiten en Heidi Mockert
Muhly legt in deze compositie een parallel naar de hedendaagse, menselijke wereld. Uitgezonderd diegenen die vinden dat zij recht hebben op alles en de hulpbehoevenden laten barsten, is het een wereld vol twijfel en angst. Hoe weet je nu of je iets goed doet? Welk pad moet je kiezen? Stilstaan blijkt geen optie en als je eenmaal op weg bent, het einde van het pad nadert, dan stort het noodlot zoveel puin over je weg, dat je noodgedwongen om moet keren. Heb je je hele leven trouw naar de regels van de kerk gehandeld, blijkt dat de pastoor de grootste misdadiger was die ooit het dorp bewoonde. Je blijft het Ave Maria zingen omdat je niet meer anders kunt, maar de betekenis, de richting van het lied, is in wierook opgegaan. Het is geen gemakkelijk muziekstuk, maar Muhly heeft een werk gecreëerd dat door iedereen op eigen wijze geïnterpreteerd mag worden. Daar kun je eindeloos over discussiëren, je kunt ook de componist gehoorzamen en de hymnes uitsluitend thuis gebruiken, geheel naar eigen inzicht twijfelend of je de goede uitvoering hebt gekozen. Precies zoals Muhly bedoeld heeft.
Altijd op weg naar de volgende compositie
Ook over het laatste werk, New York Counterpoint van Steve Reich, hebben de vijf musici van Calefax lang getwijfeld. Het arrangement van Raaf Hekkema is namelijk bestemd voor elf blazers. Niet erg handig als je in een Quintet speelt dat niet verder dan tot vijf kan tellen. Na lang aarzelen hebben de leden van Calefax de knoop doorgehakt en door middel van loting de vijf instrumenten aangewezen die live de muziek mogen vertolken. Gelukkig zit daar de klarinet bij, zodat Ivar Berix zijn Kunst niet aan een elektronisch appeltje hoeft af te staan. De zes afvallers zijn in een koffer gepropt en via luidsprekers te beluisteren. In de solostukken klinken vaak drie of vier klarinetten, terwijl er slechts één te zien is. Je zou kunnen zeggen dat Ivar Berix op zo’n moment met zichzelf speelt. Of is het Steve Reich die met hem speelt. Nu begin ik te twijfelen…
Heidi en Ivar
Het was in ieder geval een prettige verjaardag, doen we volgend jaar weer zo. Calefax en Heidi Mockert heel hartelijk bedankt, evenals operaster Lenneke Ruiten. En voor de aanstaande vader: alvast gefeliciteerd. Het is nu te laat om nog te twijfelen.
Er was eens, lang geleden en ver hiervandaan, een Koning die regeerde over een klein dorpje aan de rivier. Ja, de machtsverhoudingen lagen toe nog heel anders. De Koning was tevreden met een klein dorpje, meer kon hij toch niet overzien. Hij zou ook nooit een oorlog kunnen beginnen, want hij had geen leger. De mensen hadden het veel te druk voor dat soort rechtse hobby’s. Er moest gewerkt worden door iedereen; mannen, vrouwen en kinderen vanaf acht jaar.
Dat was weleens anders geweest, toen het dorp nog volop werd bezocht door handelsreizigers uit het verre buitenland. Maar nadat zijn zoon vijftien was geworden en voor het eerst zonder zijn moeder naar buiten mocht, was er iets veranderd. Wildert had geklaagd dat hij uitgelachen werd door al die buitenlanders en hij eiste dat hij bescherming kreeg. De Koning wilde daar niets van weten, maar van zijn moeder kreeg de huilbaby alles gedaan. In de praktijk hielden Wildert en zijn handlangers steeds meer handelskaravanen tegen aan de poort en stuurden hen zonder hun handel – die werd in beslag genomen op grond van de nieuwe terrorismewet – terug naar waar ze vandaan kwamen.
Na verloop van tijd bleven de buitenlanders – en daarmee hun goederen, luxeartikelen, smaakvolle kruiden en wetenschappelijke boeken – weg. De nieuwsgierigheid van de Koning naar de laatste snufjes uit Constantinopel, Sint Petersburg of Parijs, werd niet langer bevredigd. Aan het gedrag van Wildert moest snel paal en perk gesteld worden. De dorpelingen kregen het werk niet op tijd af nu al het buitenlandse personeel vertrokken was. Het gevolg was namelijk dat hij opeens zijn eigen toilet moest schoonmaken. Hij had geen idee hoe. Hij probeerde mensen op straat met een paar centen te verleiden zijn wc te reinigen. Geen dorpeling die erover piekerde de drollen en het water van de Koning naar de rivier te dragen. Hij vreesde dat hij zonder buitenlandse werknemers zou sterven van de stank.
Hij verzon een list. Iedereen in het dorp kende de naam van zijn vrouw, Maria, maar niemand had ooit haar gezicht gezien. De Koning was bang dat de mannen alleen nog zouden dagdromen na het zien van zijn Maria. Vrouwen zouden hun mannen uit jaloezie niet meer bij zich laten slapen, wat heel slecht was voor de aanwas van zijn volk. Maar wat kon hij anders? Als hij de harten van zijn volk wilde winnen, kon de Koning niet langer om zijn Maria heen.
In bed vertelde hij haar over zijn plan. Hij zou een groot muziekfestival organiseren en de winnaar daarvan zou een dag en een nacht lang in haar ogen mogen staren. Hij verkneukelde zich alleen al bij de gedachte aan het Allemachtig Muziekconcours America Internationaal. Maria was iets minder enthousiast.
‘Mijn gezicht zien als hoofdprijs van een festival? Heb jij mij weleens goed bekeken? Een vrouw is meer dan haar buitenkant, ware schoonheid zit van binnen.’
De Koning beloofde haar dat hij dat grondig zou onderzoeken. Als zij gelijk had, en dat beloofde hij plechtig, ging het feest niet door. Een kwartiertje later moest hij haar teleurstellen:
‘Nee hoor liefste. Je binnenkant is aangenaam vertoeven, maar ware schoonheid zit toch echt aan de buitenkant. Je bent de mooiste van de wereld. Jij bent mijn hoofdprijs en ik ga snel de wedstrijd uitschrijven.’
Op elke boom en elke lantaarnpaal, nee wacht, die waren er toen nog niet, op elke kerkdeur werd een aankondiging van het Allemachtig Muziekconcours America Internationaal geplakt. De Koning liet betrouwbare koeriers uitrijden naar het buitenland, in de knijpende hoop dat hij er ten minste iemand aan overhield die voor weinig geld zijn emmer wilde legen. De berg daarop kon iedere dag instorten, om over de hoeveelheid vliegen maar te zwijgen.
Wildert hoorde te laat van de plannen van zijn vader en kon het AMAI niet meer tegenhouden, zelfs niet als hij snikkend zijn hoofd op mammies schouder zou leggen.
Het aantal aanmeldingen overtrof de verwachtingen van de – nu bijna – opgeluchte Koning. Opgewonden vertelde hij zijn vrouw dat het Allemachtig Muziekconcours America Internationaal wel twee of misschien zelfs drie dagen kon gaan duren. Maria, nog steeds diep gekwetst, draaide zich om en liet haar man, Koning of niet, niet tot haar toe. De Koning, nog steeds in opperste staat van paraatheid, dwaalde door zijn paleis om tot rust te komen. Geen van zijn dienaren had zich echter ooit verdiept in de Griekse Filosofie (kort intermezzo in verband met de Maand van de Filosofie) en explicieter durfde de Koning niet te zijn. Gelukkig stonden er in de stal nog een os en een ezel, een Griekse Tragedie zou je het kunnen noemen, bejaarde trekdieren die waren achtergebleven na een ander feest.
De zaal puilde al uit zijn voegen toen de eerste dag van het AMAI nog niet half om was. Maria zat gesluierd naast haar man op een troon. De horeca in het dorp deed goede zaken, evenals de hotels. Nou ja, geen echte hotels natuurlijk, wat moesten ze daarmee. Maar de Koning had een aantal van zijn onderdanen zover gekregen dat ze bereid waren ‘s nachts een vreemdeling tussen zichzelf en hun vrouw in te laten slapen. Na aftrek van belasting hielden ze er een mooie cent aan over, had hij hen beloofd. Een belofte die hij letterlijk hield, tot woede van zijn dorpsgenoten die “een mooie cent” als “veel geld” hadden geïnterpreteerd.
Oudste samenstelling Rowwen Heze
Zo gingen twee dagen voorbij en bij de meeste feestvierders begon er een beetje de klad in te komen. Ook de hoop van de geconstipeerde Koning begon af te nemen. Tot hij twee bekende klaplopers het podium zag beklimmen. Toen liet hij alle hoop in één klap varen. Jack, de waard die altijd troebel bier schonk omdat hij water uit de stinkende poel achter zijn huis gebruikte om zijn drank te brouwen, en die buitenlander uit Enckevort, Tren, met zijn versleten trekorgeltje. Ze hadden nog een paar zwervers bij zich die hij niet kende. Waarschijnlijk zonder vaste woon- of verblijfplaats. “Tuig” zou Wildert ze noemen. De Koning moest hem in dit geval gelijk geven. Dit zootje ongeregeld zou zijn beeldschone vrouw nooit kunnen verleiden met hun drankliederen. Wildert bekeek knarsetandend die rowwen hèze, onttrokken aan het zicht door vier kleerkasten.
Toen de eerste tonen echter klonken, verstomde het geroezemoes in de zaal van het paleis. Dit was toch net even anders dan die troubadours met hun dubbelzinnige liederen. Deze klanken brachten de Koning terug naar zijn jeugd, zijn ouders, zijn oude school, zijn eerste liefde. Hij kreeg zowaar tranen in zijn ogen en nam snel een hap van een zwaar overpeperde haas. (Die wel eerst geroosterd was hoor, zo slecht was de Koning in die dagen nog niet. Voor dieren.) Als snel zat hij snikkend op de troon. Uit eerbied, of slijmerij, jankte het volk op de vloer mee. Aan de vochtige sluier zag hij dat ook zijn vrouw haar tranen niet kon bedwingen. Zijn darmen maakten een jubelsprongetje in zijn buik.
Ik zit eerste rij balkon
Hij begon zich net af te vragen of deze groep ook nog iets te vertellen had, toen iemand vanaf het podium luidkeels schreeuwde: ‘MARIA!’
Elk levend wezen in het paleis, van de kat in de kelder tot de vleermuis op de vliering, droogde zijn tranen en danste mee in de opgewekte wending die de muziek had gekregen. De naam van zijn vrouw had droefenis omgezet in hoop en plezier. De Koning pakte haar bij haar schouders en nam haar mee de dansvloer op. Zijn waardigheid liet hij, met zijn mantel, achter op de troon.
Er landde net een blad vol bier op ’s Konings rug, toen de muziek stopte. Het deerde hem niet. De dader werd publiekelijk gevierendeeld en daarna, zand erover. Zonder zijn vrouw iets te vragen liep hij met haar op Jack van het troebele bier af.
‘Poels,’ zei hij met eerbied. ‘Alles vergeven en vergeten. Als winnaar van het eerste Allemachtig Muziekconcours America Internationaal, mogen jij en de rest van je gezelschap, een dag en een nacht lang in de ogen van mijn vrouw kijken. Ik voeg er zelf, als Americaans Vorst, nog een persoonlijk aardigheidje aan toe. Poels, je hoeft het niet bij kijken te laten. Jullie mogen tot morgenmiddag doen met haar wat je ook maar wilt.’
Om haar geen kans te geven tegen te stribbelen, trok de Koning met één flinke ruk de sluier van achter over haar hoofd. Het werd doodstil in de zaal. Bezoekers en muzikanten sloegen van afgrijzen een hand voor hun mond. Slechts die troebele poel en zijn buitenlanders bleven glimlachen en kusten Maria. Langzaam kwam het gefluister en geroezemoes op gang. De Koning keek verbaasd om zich heen. Wat was er aan de hand. Hij draaide zijn vrouw naar zich toe om te zien of er iets mis was. Toen hij haar rotte tanden zag en haar gescheurde lippen, kleine probleempjes waarvoor hij de behandeling uit het pakket had gehaald, sprak hij zachtjes: ‘MARIAAAA?’
Onmiddellijk zette de band weer in en rolde iedereen over de dansvloer. De Koning kreeg al snel in de gaten dat hij niet met zijn vrouw, maar met haar kamermeisje danste. Maar waar hij ook zocht, aan wie hij het ook vroeg, hoe hij ook bad, smeekte en vloekte, hij heeft zijn vrouw nooit meer teruggevonden. Het gevolg daarvan was dat hij en zijn zoon langzaam naar elkaar toegroeiden. Wildert was niet meer tegen álle buitenlanders, ook al leidde zijn indeling in ‘Nuttig’ en ‘Onbruikbaar’ regelmatig tot stevige discussies. En de Koning kreeg zo langzamerhand ook een baard van al die componisten, allesdoorzieners en andere ramptoeristen die het dorp bezochten. Het liefst zou hij al die Marianen verbannen naar hun eigen America, bij voorkeur aan de andere kant van de oceaan. Hij besloot de landelijke politiek op te zoeken. De Koning, zijn zoon en een buitenlander om de bagage te dragen, trokken als Drie Wijzen uit het Oosten, naar het – toch wel een beetje beangstigende – Westen. America was een bedevaartsoort geworden voor de hulpbehoevenden en een bron van inspiratie en geestkracht voor musici en componisten. Het barstte bijna uit zijn voegen, maar de te hulp geroepen, net in het machtscentrum gezetelde, Koning bleek erg hardLeers.
De dorpelingen profiteerden ondertussen van de opnieuw opgebloeide handel. Ze deden eigenlijk niets meer zelf, maar verhuurden delen van hun huis of schuur voor woekerprijzen. Er was nu eenmaal slechts één dorp waar Maria was verdwenen en als je dat wilde bezoeken moest je er iets voor over hebben. Vaak wisten de dorpelingen niet eens wie ze in huis haalden. Het kwam voor dat Palestrina, Orlando di Lasso, Vivaldi en Scarlatti tegelijk in het dorp verbleven, terwijl niemand het in de gaten had. Het viel hooguit op dat een aantal bezoekers elkaar, als ze elkaar passeerden, niet wilden zien en hooghartig hun hoofd de andere kant uitdraaiden, de kin zo hoog mogelijk geheven.
Pergolesi dacht eerst diep na voordat hij de eerste noot van zijn meesterwerk op papier zette en belegde een componistenvergadering.
‘Gewaardeerde collega’s,’ sprak hij tegen een grote groep musici die niet wisten waar ze moesten kijken om een ander niet te zien.
‘De ten hemel schreiende verdwijning van Maria is een grote inspiratiebron voor ons allen. Het is onze meesterproef, zou je kunnen stellen. Aan ons Maria zullen wij in de hemel beoordeeld worden. Dat clubje rondom Christiaan Hesen niet meegeteld uiteraard. Hun gang naar de hel moge vaststaan.
‘Maar kunnen wij ons voor onze Heiland vertonen met een muziekwerk dat eenvoudig Maria heet en ook nog eens vernoemd is naar een oerlelijk vrouwspersoon uit Limburg? America, de Heer weet niet eens waar het ligt.’ De aanwezige componisten konden er wel om lachen en knikten een moment instemmend naar elkaar om hun hoofd meteen weer van de ander af te wenden.
‘Ik stel dus voor om de titel van het werk enigszins aan te passen. Maria is nu toch waarlijk ons aller moeder. Zo staat ze er nog, zo is ze in rook opgegaan. Wat denken jullie van Stabat Mater als overkoepelende titel?’ Tja, daar had nog niemand werkelijk over nagedacht, dus het voorstel werd zonder mokken aangenomen. Stabat Mater klonk alvast heel wat plechtiger dan Maria.
‘Om het geheel wat meer “body” te geven,’ Pergolesi liet even de biceps van zijn rechterarm rollen, ‘heb ik er ook een korte tekst bij gemaakt. Bekijkt u die eens op uw gemak.’
Stabat mater dolorosa Iuxta crucem lacrimosa, Dum pendebat filius. Cuius animam gementem Contristatam et dolentem Pertransivit gladius.
‘Dit is slechts het begin, in totaal zijn er tien coupletten. Maar u bent vrij om dat aantal te bewerken natuurlijk. Het moet immers úw meesterwerk worden. Blindelings het mijne kopiëren, dat zal De Heer – Buma/Stemra – ontstemmen. Gebruik liever uw eigen BREIN.’
Er werd direct gestemd en geteld.
‘Dvořák? voor, Boccherini? voor, Rossini? voor, Verdi? voor, Breuker? tegen. Natuurlijk, jouw wereld wentelt zich nog eens in de misère! Penderecki? voor, goed zo. Pärt, Jenkins, Szymanowski? Allen voor. Je ziet het, je staat weer eens alleen Willem Breuker. Maar ik denk ook niet dat de Heer op jouw gepiep en gejengel zit te wachten. Jij zult altijd een kleine zwerver blijven.’
Calliope Tsoupaki
Eén componist hield zich een beetje verborgen in de schaduw en werd over het hoofd gezien. Calliope Tsoupaki wilde ook tegen stemmen, maar niet de hoon van de rest over zich heen krijgen. Dapper wat Breuker deed, maar dat was niet haar stijl. Ze ging nooit rechtstreeks in de aanval, maar liet haar gedachten, als ze in bed lag, samenvloeien met herinneringen en de magische illusie van iconen. De droom die daaruit ontstond verklankte ze naar een nieuwe compositie. Als ze het ergens niet mee eens was, dan uitte ze dat in muziek, een taal die zo hard kon zijn als een vuistslag in het gezicht, maar een achtste noot later datzelfde gelaat kon strelen. Het was haar na één nacht al duidelijk. Haar meesterwerk zou geen Stabat Mater heten, maar teruggaan naar de basis. De basis van aanbidding, de gevoelens van een vrouw die een baby koestert die gedoemd is nog tijdens haar leven te sterven, de basis van muziek, in kerktoonsoorten maar zeker ook die van haar moederland en veilige thuishaven Griekenland, overeind gehouden door zandbanken en luchtkastelen, de basis van eenvoudige middeleeuwse troubadours, niet meer dan een stem en wat tokkelende snaren, de basis van de polyfonie, polyritmiek, de basis van de componist in zichzelf, de basis van haar vrouwelijk inzicht, de basis van haar moederzijn. Bron van haar eigen moederschap. Die innerlijke strijd van moederliefde zou ze voeren in haar meester-compositie Maria.
Op weg naar huis werd ze ingehaald door een snelle ruiter te paard. Ze dacht aan een struikrover en vreesde dat haar laatste uur geslagen had. De ruiter liet haar koets stoppen en opende de deur. Hij stapte in en ging tegenover de doodsbange componiste zitten. In een ijzig kalm tempo deed hij zijn helm af en haalde de zakdoek van zijn mond. Hij stak zijn hand uit en zei:
‘Hallo, mijn naam is Bart Schneemann en ik wil u een voorstel doen.’ Hij leek op antwoord te wachten, maar Calliope wist niet wat hij van haar wilde.
‘Als u mij een voorstel wilt doen, waarom stuurt u dan geen mail of belt u me niet gewoon. U hebt me bijna een hartaanval bezorgd.’ Schneemann keek even alsof hij water zag branden, stak zijn hand in de binnenzak van zijn stoffige jas en haalde er een mobieltje uit.
‘Verrek, hoe kon ik dat nu over het hoofd zien.’ Alsof hij vervroegd aan het dementeren was, draaide hij het apparaat een paar keer rond. ‘Met internet en e-mail nog wel.’ Met een blik van ongeloof bekeek hij de binnenkant van de koets.
‘Als u zo bang bent voor struikrovers, waarom reist u dan niet per trein of per vliegtuig. Het is voor een paard een heel eind van America naar Piraeus.’
Als dierenvriend schaamde Calliope zich dat ze daarvoor geen enkele uitleg had. In Boukoul nam Tsoupaki de hogesnelheidstrein naar Griekenland, Schneemann ging per vliegtuig terug naar Amsterdam. Ze hadden hun plannen uitvoerig besproken en heel globaal een datum geprikt. Tussen 2000 en 2025 moest het plaatsvinden.
*_*_*
Bart Schneemann
Op 5 april 2012 was het dan zover. Het podium van het Muziekgebouw aan ’t IJ was er speciaal voor verplaatst. Het was een stuk de zaal ingeschoven. Mogelijk dat het Nederlands Blazers Ensemble het publiek recht in de ogen wilde kijken, maar het zal waarschijnlijk meer met het geluid te maken hebben gehad. Een nadrukkelijker echo die de indruk moet wekken dat je je in een Grieks-orthodoxe kerk bevindt met hoge muren en mat blinkend, gouden iconen, die je zowel in je ogen als in je ziel kijken. Tsoupaki was de overval van Bart Schneemann duidelijk nog niet vergeten. Op een ludieke manier nam ze wraak door de hoboïst een verdieping lager, vlak voor twee trombones en een hoorn te parkeren. Het was extra hard werken voor Schneemann maar hij sloeg zich er dapper en zonder klagen doorheen. Na afloop was alles tussen hem en de bejubelde componiste dan ook weer koek en ei, wat goed uitkwam, zo vlak voor Pasen. Hij had zelfs palmtakken met handgeschreven kaartjes voor haar meegenomen. Zeker wéér niet gedacht aan zijn mobiel met mailmogelijkheden. Of hij nadert de leeftijd waarop mensen die nieuwerwetse gebruiksaanwijzingen niet meer begrijpen, over ingewikkelde handelingen met piepkleine toetsjes die een kind van zes intuïtief uitvoert. Hoe dan ook, we mogen blij zijn dat hij voor de hobo heeft gekozen.
Wel jammer dat de geprojecteerde beelden op het doek achter het podium nauwelijks zichtbaar waren. Niet dat er per se beelden bij de uitvoering getoond moesten worden om het interessant te houden, maar als je alleen wat vlekkerige godsdienstige motiefjes kunt projecteren, laat ze dan liever weg. Er waren een aantal – voornamelijk jongere – mensen in de zaal, die een dynamischer optreden van het NBE hadden verwacht. Altijd vernieuwend, sprankelend, beweeglijk en met een zekere diepgang in een onverwachte richting. Dat we een Byzantijnse Rite te zien en te horen kregen was op zijn minst onverwacht en zeker met behoorlijk wat diepgang. Het enige waarin ik de teleurgestelde toeschouwers gelijk moet geven, is dat de flyer iets anders suggereerde dan een religieus mystieke, naar binnen gekeerde avond.
Calliope Tsoupaki laat zich diep in haar ziel kijken. Enerzijds door zich gewillig over te geven aan orthodoxe rituelen, die haar als kind toch geïmponeerd moeten hebben en die haar zienswijze als volwassene een bepaalde richting hebben gegeven. Anderzijds door zich als volwassene steeds in contact te stellen met dat kind in haar en een pad te kiezen dat voor beide begaanbaar is. Dat pad moet voldoende uitdagingen bevatten die om een zekere zelfreflectie vragen. Behalve de onzekerheid, de angst en de tranen van de Moeder, die Tsoupaki hier aan de blazers en zangers heeft toevertrouwd, houdt de componiste ook rekening met de belevingswereld van het Kind. Chitarrone, viola da gamba en santur laten het spelen, verbaasd naar de indrukwekkende muziek luisteren, laten het Kind meedrijven op de stroom van oude rituelen en verhalen, maar ook protesteren als het dreigt te verdrinken in die overdaad van moeilijk te rationaliseren mystiek.
Uiteindelijk lijkt het alsof Tsoupaki probeert het Kind gerust te stellen, Hem te verzoenen met zijn Moeder. Er één geheel van te maken. Het werk kan pas eindigen als de Zoon zich met zijn Moeder heeft herenigd. Niet door terug te gaan naar de oorsprong, maar door de wegen die zij hebben afgelegd tijdens hun aardse bestaan in elkaar te laten vloeien, samensmelten tot een beter geheel. Of in ieder geval een wijzer geheel, een Moeder en Zoon die samen meer zijn, véél meer zijn dan de som van de losse onderdelen. Terwijl het bloed en vocht uit de wond in Zijn borst stromen, valt het doek.
Het publiek reageert aanvankelijk nog bijna religieus. Toeschouwers – waaronder ikzelf – zitten gevangen in een klankwereld die dogma’s verwerpt en zich toch overgeeft aan orthodox-Griekse Byzantijnse rituelen. De musici op het podium aarzelen even, is hier iemand? De zaal was toch uitverkocht? Afgaan of niet afgaan, dat is nu de vraag. Maar net als de avond lijkt te doven als een nachtkaars, staat iemand op de achterste rij op, zet zijn handen aan zijn mond en roept zo hard mogelijk: ‘MARIAAAA’!
Wat zijn ze veranderd hè? In die paar eeuwen dat dit verhaal speelt.
Als een zuchtje wind een paar tellen een gat in de mist slaat, zie ik eindelijk de poort die toegang biedt tot het kerkhof. Ik moet hier zeker al vijf of zes keer voorbij gereden zijn, maar nergens langs de weg staat een aanduiding of bord dat op de entree van de begraafplaats wijst. En om met dit weer op de gok door de drassige grond naar een zandpad te rijden, lijkt me geen goed idee. Zeker niet als je zo handig bent als ik.
Dat ik nu op het terrein ben, betekent niet direct dat ik weet waar ik moet zijn. In het licht van de koplampen zie ik slechts een wolk verlichte waterdruppeltjes, twijfelend of ze nog even gezellig bij hun familie zullen blijven plakken, of toch maar de wetten van de zwaartekracht zullen gehoorzamen. Deze begraafplaats moet een enorm oppervlak beslaan. Het duurde steeds een kwartier om er omheen te rijden, al kan ik ook een dwarsstraat gemist kan hebben.
Wat doe je als je de weg niet kent, niet eens ziet, en je absoluut niet weet welke kant je op moet? Juist, dan ga je maar gewoon rechtdoor. Dat wil zeggen dat je de weg blijft volgen natuurlijk. Totdat je opeens de eerste boom van een bos ontmoet. Daarachter een woud dat zich als een dodelijke schaduw uit de damp aan je opdringt. Eigenlijk is dit het perfecte weer voor een begrafenis. Mist, bomen, onheilspellende schaduwen en af en toe een zuchtje wind. Die ene zucht biedt je dan één of twee seconden een wat wijder zicht om je te oriënteren totdat de mist zich weer hermetisch sluit. Een metafysisch fenomeen waar ik me helemaal aan over kan geven. Dat bos ga ik echter voor geen goud in.
*_*_*
‘Dat werkt altijd. Haha,’ lacht een man van ongeveer mijn leeftijd, terwijl hij plaatsneemt op de stoel naast mij. Na de harde klap op het dak van de auto keer ik langzaam terug naar de bewoonde wereld. Mijn hart neemt langzaam zijn gewone ritme weer aan.
‘Sorry,’ de vreemdeling trekt een bedenkelijk gezicht, ‘je bent wel erg geschrokken zo te zien. Gaat het wel?’
‘Ik houd gewoon niet zo van begrafenissen,’ lieg ik. ‘En dan deze atmosfeer…’ De man volgt mijn blik langs de boomtoppen en knikt.
‘Je zult het niet geloven, maar zo is het hier alleen tijdens uitvaarten. Daarom staan er ook geen wegwijzers op en om het terrein. Het is zo open dat je direct ziet waar je moet zijn. En om nou voor die twee of drie keer per jaar zoveel werk te verzetten en die borden te onderhouden, dat zie ik niet zitten.’
‘Twee of drie keer per jaar? Maar waarom is deze begraafplaats dan zo enorm groot?’
‘Al sla je me dood,’ antwoordt de man alsof hij er zelf nog nooit over heeft nagedacht. ‘Misschien is er een extra buffer nodig tussen de doden die hier rusten en de buitenwereld. Ze komen altijd zelf hier naartoe, ze worden nooit door familie gebracht. Je ziet hier ook geen namen op grafzerken of kruizen staan. Ik begraaf de kisten gewoon zonder erbij stil te staan wie er eigenlijk in ligt. Mag ik eens vragen voor welke begrafenis jij hier komt?’
Nu is het mijn tijd om overbluft te worden.
‘Natuurlijk, ik kom voor P…. Hoe heet hij ook alweer, hij was laatst nog te zien… Nee hij stond in de krant, of was het…’ Hoe ik mijn mentale kaartsysteem ook doorzoek, ik kan geen enkele reden vinden om op dit moment op deze plek te zijn. ‘Wie zijn er onlangs overleden eigenlijk?’
‘Ja, dat weet ik niet hoor. De krant wordt hier niet bezorgd. Ik weet wel dat jij hem misloopt als we niet vlug naar de kerk rijden.’
‘Ik wist niet eens dat hier een kerk stond. Die staat in ieder geval niet op de plattegrond. Welke kant moet ik op?’
‘Hier naar links. De kerk is grotendeels ondergronds aangelegd, daarom ziet iedereen hem over het hoofd. Dat laat ik liever ook zo. Er liggen nogal wat bijzondere voorwerpen en als dat eenmaal bekend wordt, staan ze zo binnen om het te stelen en op een rommelmarkt te verkopen. En er zijn voorwerpen bij… Ik snap werkelijk niet waarvoor ze die tweehonderd jaar geleden in de kerk nodig hadden.’
In gedachte zie ik zware metalen martelvoorwerpen voor me, maar door zijn veel betekend lachje weet ik dat ik het meer in de erotische hoek moet zoeken.
‘Als jij niet weet wie er begraven wordt en wie er eventueel op af komt, waarom stond je me dan op te wachten? Je gaat toch niet beweren dat je elke dag op dezelfde tijd op die plek staat?’
‘Natuurlijk niet!’ Hij klinkt licht verontwaardigd. ‘Ik heb je toch al gezegd dat deze mist er alleen hangt als er iemand ter aarde besteld wordt. Meestal zijn er geen gasten en laat ik zonder veel ceremonieel de kist in het gat zakken. Maar het is een paar keer voorgekomen dat ik de volgende dag een auto om een boom gevouwen in het bos vond. Eén of twee begrafenissen extra vind ik niet zo erg, maar het gedoe dat je krijgt met de politie en gemeenteambtenaren. Daarom sta ik als er plotseling mist opkomt, altijd aan de bosrand. Als de klok gaat luiden en er is nog niemand gearriveerd, dan loop ik weer terug en begin ik de dienst.’
‘Wordt die niet gedaan door een… uhm, priester of iets dergelijks?’
‘Haha, ik kan wel horen dat jij net zo katholiek bent als ik. Welnee, ik heb een boekje gevonden met Latijnse teksten en als je die langzaam en plechtig op een lage toon uitspreekt, gaat de wind vanzelf meedoen. Let maar op straks. Het is een heel spookachtig geluid. Dat past toch goed bij de ambiance hier?’
Latijnse teksten die geesten wakker maken die door de mist dwalen op een enorme begraafplaats waar zelfs de kerk onder de zoden ligt. Een hele geruststelling. Ik heb in ieder geval niet met een compleet gestoorde gek te maken.
‘Met hoeveel mensen werken jullie hier dan?’
‘O, ik ben maar alleen meneer. De geestelijke die hier was heb ik jaren geleden… is al jaren geleden overleden. Niet dat ik ooit iets aan hem gehad heb. Hij kwam ’s middags pas zijn bed uit en klokslag twee uur nam hij zijn eerste borrel. Zodra hij de mist het bos uit zag kruipen, dronk hij de fles in één teug leeg. Tegen de tijd dat het bezoek afscheid had genomen van de kist en de kerk betrad, lag meneer zo lam als een deurbel over het altaar. Veel verder dan “Neem mijn lichaam en eet” of iets dergelijks, is hij nooit gekomen. Ik heb hem op een dag maar begraven en zijn werk overgenomen. Ik heb wel een week moeten zoeken naar een boekje in het Latijn. Dat had hij goed verstopt in de kelder. Ik weet nog dat ik dat zo vreemd vond, want hij was doodsbang voor die ruimte.’ Hij lijkt even moeite te doen zich bepaalde beelden weer voor ogen te halen. Zijn wenkbrauwen dalen en trekken diepe kloven in zijn voorhoofd. Hij word direct twintig jaar ouder en zijn handen beven. Alsof er niets gebeurd is, heft hij even later zijn hoofd weer op. ‘Hier rechts om de hoek ligt de kerk.’ Hij wijst op een zandhoop waarin aan één kant een muurtje is aangebracht met een voor een kerk nogal smalle deur. Nee, deze geheiligde plaats zou ik zelf nooit gevonden hebben. Zelfs niet bij helder weer.
Het ruikt een beetje muf binnen, maar tegen mijn verwachting in, is het er niet overdreven vochtig.
‘Wie luidt er eigenlijk de klok als jij maar alleen bent?’ De man van alles wuift de vraag weg.
‘O, dat gaat al jaren vanzelf. Zal wel iets met de mist en de wind te maken hebben. En vandaag zijn er muzikanten bij, wie weet heeft een van hen zich onder de klok opgeknoopt, haha.
Met de mededeling dat hij zich even gaat omkleden, verdwijnt hij in een naburige ruimte. Hij wijst mij, nog net voordat hij uit beeld verdwijnt, op een deur rechts van mij, waar ik de kist kan vinden. Musici zie ik nergens. Ik hoop dat ze niet allemaal tegelijk de doodsklok aan het luiden zijn.
Ik heb hem op een dag maar begraven en zijn werk overgenomen. Die zin weerkaatst een paar keer door mijn hoofd. De nonchalance waarmee hij hem uitsprak. Ach, ik had er toch niets aan, dus ik heb een kuil gegraven en hem erin gegooid. Hij stribbelde niet eens tegen. Zo lam als een toeter natuurlijk, dat begrijp je wel. Zat die bedoeling erachter of zit er iets in die mist dat mijn geest vertroebelt.
Ik knijp een keer hard in mijn arm, die mij onmiddellijk voor het gerecht dreigt te slepen. Zo ken ik mijn arm, ik loop dus niet te slaapwandelen. Ik open de deur van de aangewezen kamer en zie nog net hoe de laatste centimeters van de kist achter een gordijn verdwijnen. De kamer is verder kaal. Geen briefje met de naam van de overledene of iets wat mijn aanwezigheid hier een betekenis kan geven. Ik draai me om en loop de kerk in.
Die blijkt enorm hoog te zijn. En dat geeft me een angstig voorgevoel. Ik ben namelijk door een lage deur binnen gekomen, maar ik heb nauwelijks een afstapje gezien, laat staan een wenteltrap naar beneden. Deze ruimte moet tientallen meters boven de grond steken. Een herkenningsbaken van jewelste, op dagen dat het niet mistig is.
De enige vaste bewoner van het pand is zoveel wierook aan het stoken, dat het altaar in een minstens zo ondoorzichtige laag damp verdwijnt als het bos buiten. Ik hoor zacht vioolgekras, af en toe het klagende geluid van een ontstemde gitaar en daaronder, als bourdon, de gespleten stem van de merkwaardige autodidact priester. Religie onbekend. De teksten die als zwavel uit zijn mond walmen, zijn voor mij onverstaanbaar, maar één ding weet ik zeker: het is geen Latijns.
Ik hoef niet te gaan zitten, gelukkig. Voordat ik bij het altaar ben, trekt de uitvaartstoet in dwarsrichting aan mij voorbij. Een half verkleedde monnikachtige figuur die wat gestoorde spreuken met de wierook meeblaast, een gitarist wiens instrument op de één of andere manier draadloos versterkt wordt en vier strijkers die de kist op hun schouder dragen. Ik weet het, dat klinkt absurd en er zal ongetwijfeld een soort constructie om de kist zitten die stevig op hun schouders drukt, maar op het eerste gezicht en met een blik vervormd door wierook en mist, lijkt de kist boven de schouder van de musici te zweven. De dragers rechts spelen met de strijkstok in hun rechterhand, de dragers links spelen in spiegelbeeld. We verlaten via de punt van het kruis de kerk, niet de deur waardoor we zijn binnengekomen. Hoewel de mist nog steeds zwaar en verstikkend dik is, zie ik buiten iets beter dan in de kerk. Moet je die gek voorop zien in zijn groen uitgeslagen gewaad vol gaten. Hij draagt – Godbetert – een zilveren kruis ondersteboven voor zich uit. De musici spelen een vreemd soort requiem. Om de beurt zakt één van hen door zijn knieën, daarbij een neerwaartse glissando op de viool makend. Of hij dat geluid maakt omdat hij door zijn benen zakt of dat hij door zijn benen zakt omdat hij dat vallende geluid maakt, kan ik niet zien. Klagelijk jankt de gitaar tussen de verglijdende akkoorden door. Ik heb geen idee hoe dat instrument hier buiten versterkt wordt. Ik zie in ieder geval geen verlengsnoer of klank opwaarderende elektronica. Het ziet er hier eerder uit alsof het terrein honderd jaar geleden verlaten is en er sindsdien geen mens meer naar omgekeken heeft.
Ik loop bijna tegen de kist op als de stoet plotseling halt houdt. Ik doe een paar stappen opzij en loop een stukje naar voren. Mijn vriend staat op een verhoging achter het graf en bromt alleen nog maar. Heel knap tweetonig, maar het interval is beslist geen kwint, laat staan een zuivere. De gitarist geeft een solo aan de zijkant van het graf. Zijn lichaam hangt gevaarlijk ver over de rand. Ik zie de aarde onder zijn voeten verbrokkelen en wil hem wegtrekken. Precies op dat moment herken ik hem en weigert mijn rechterarm mijn bevelen uit te voeren.
‘Bryce…’
Hij stort de kuil in. Even later hoor ik aan een gebroken akkoord dat hij de bodem bereikt heeft. Ik kijk vragend naar de hogepriester. Die knikt slechts.
Wat moet ik doen? Me afkeren van deze waanzin en vertrekken of Bryce uit het graf plukken. Het gevolg van de twijfel is dat ik stokstijf blijf staan. De mist in mijn eigen brein houdt me gevangen. Ik ben willoos. Zielloos. Leeg.
De muziek van de violisten dringt nu pas echt tot me door. De snaren snijden door mijn ziel en elk glissando probeert mijn hart de diepte in te sleuren. Dat vallen… Dat vallen is het vallen van een vriend. Maar wie en waarom? Ik weet het niet. Ik zie de contouren van zijn gezicht in de muren van de kerk, in het struikgewas achter het graf en in de mist. Dat is alles, geen puntje van herkenning. Het verbaast me niet eens dat de dragers zich weer in beweging zetten. Het duurt niet lang of de eerste twee muzikanten verdwijnen net als Bryce onder de rand van het graf. Aan het eind van hun glissando sterft de vioolklank weg.
De kist hangt nu met een kant op het gras voor het graf. De dragers halen het achterste deel van hun schouders en zetten de kist voorzichtig neer. Dan zetten ze hun instrumenten opnieuw aan hun schouders en spelen tot hun dood de laatste maten van de Chorale. Het Requiem is ten einde. Ik loop naar de kist en til hem aan één handvat op. Zo licht als een veertje; de kist is leeg. Op deze begraafplaats rusten geen doden, hier wordt iets veel groters ter ziele gedragen. De mist breekt even open en ik zie lange rijen graven, zo ver ik kan kijken. Ik loop naar de rand van het graf en staar in de diepte. De zaal in het Muziekgebouw is volledig uitverkocht. Het is er warm binnen, heel warm. Ik kijk nog één keer op naar de goede vriend die ik in 2006 verloor. Hij glimlacht. Ik lach ook. De mist trekt zich terug tussen de bomen van het bos. De zon kan elk moment de loodzware lucht doorboren met haar licht. Rest alleen het slotakkoord. Ik spring over de rand en val precies op de goede snaren van de gitaar. Ik ga op in de trillingen van het geluid en verbuig de reine kwint tot het gevraagde interval.